zondag 7 april 2013

De Deductieve Detective


Een bekendere detective bestaat bijna niet: Sherlock Holmes. Deze briljante speurder spreekt nog steeds bij veel mensen tot de verbeelding, ondanks dat zijn schepper, Sir Arthur Conan Doyle, hem alweer honderd jaar geleden bedacht en beschreef. Zijn vermogen om op basis van scherpe waarnemingen en een geniaal intellect misdrijven op te lossen lijkt hem buitengewoon populair te maken in de huidige tijd. Hoe doet Sherlock Holmes dit precies en in hoeverre is het mogelijk om zelf ook zijn technieken toe te passen?

Het eerste boek over Sherlock Holmes, A Study in Scarlet schreef Sir Arthur Conan Doyle in 1887. Hierna volgde nog drie boeken (The Sign of the Four, The Hound of the Baskervilles en The Valley of Fear) en 56 korte verhalen over het leven van Sherlock Holmes. Aanvankelijk was Doyle na zes jaar wel klaar met de eigengereide detective en liet hij hem aan het einde van het korte verhaal The Final Problem sterven tijdens een gevecht met zijn aartsrivaal Professor Moriarty. Echter, onder grote druk van de fans van Sherlock Holmes en geldproblemen pakte Doyle toch de pen weer op en liet hij Sherlock Holmes samen met Dr. Watson nog een flink aantal misdrijven oplossen.

Voordat hij begon met zijn verhalen over Sherlock Holmes, studeerde Sir Arthur Conan Doyle geneeskunde aan de Universiteit van Edinburgh. Daar ontmoette hij zijn mentor, Professor Dr. Joseph Bell, wiens scherpe observaties en deductieve manier van redeneren later van grote inspiratie zouden zijn voor het karakter van Sherlock Holmes. Al tijdens zijn studietijd bleek de jonge Arthur zich erg aangetrokken te voelen tot de wereld van het spiritisme en paranormale. Dit is opvallend, omdat de detective die hij creëerde juist vaak acteerde als een debunker (ontmaskeraar) van op het eerste gezicht bovennatuurlijke zaken. Later in zijn leven ging Sir Arthur Conan Doyle zelfs op een spirituele bedevaart naar Nederland en schreef hij meerdere boeken waarin hij zijn geloof in het bestaan van feeën, kabouters en elfjes uiteenzette. Toch bleef de Sherlock Holmes in zijn boeken (zeker in de eerdere verhalen) nuchter en vastberaden dat er een wetenschappelijke, aardse verklaring te vinden was voor vreemde zaken. In het verhaal The adventure of the Sussex Vampire zegt de detective zelfs: ‘This agency stands flat-footed upon the ground, and there it must remain. The world is big enough for us. No ghosts need apply.’ Geen wonder dat de verhalen van Sherlock Holmes vaak juist een grote aantrekkingskracht hebben op wetenschappers en sceptici (Wagner, E.J., 2006).

Deductie en inductie

Bij het hebben van een kritische houding ten opzichte van de wereld en haar verschijnselen zijn twee redeneervormen erg belangrijk: deductie en inductie. In zijn detectivewerk zegt Sherlock Holmes voornamelijk gebruik te maken van deductie. Deductie is een methode in de filosofie en logica, waarbij er gebruik wordt gemaakt van premissen: basisregels die per definitie waar zijn. Als je iets deductief beredeneert, trek je een conclusie uit meerdere premissen, waardoor de conclusie ook per definitie waar zal zijn. Bijvoorbeeld:

Alle mensen zijn sterfelijk (premisse)
Ik ben een mens (premisse)
Ik ben sterfelijk (conclusie)

Maar als je goed leest wat Sherlock Holmes doet bij zijn detectivewerk, volgt zijn conclusie niet altijd zonder meer op basisregels die per definitie waar zijn. Veel vaker gaat de detective uit van een aantal waarnemingen en trekt daar vervolgens een conclusie uit. Zoals hij zelf zegt: ‘When you have eliminated all which is impossible, then whatever remains, however improbable, must be the truth.’ (Sherlock Holmes: The Sign of Four). Wat Holmes hier doet noemen we inductie: Bij het herhaaldelijk observeren van een verschijnsel binnen situaties, ga je ervan uit dat het verschijnsel met de situatie samenhangt. Een voorbeeld:

Socrates was een Griek (premisse)
De meeste Grieken aten vis (premisse)
Socrates at vis (conclusie)

Het kan natuurlijk heel goed zijn dat het bovenstaande voorbeeld van een visetende Socrates waar is. Maar stel nou dat Socrates een uitzondering op de regel was, een visallergie had en de schaal sardientjes maar al te graag aan zich voorbij liet gaan? Dat is tegelijkertijd precies het risico van inductief redenen: het kan heel goed zijn dat ondanks je herhaaldelijke waarnemingen, de werkelijkheid toch anders in elkaar zit en je een verkeerde conclusie trekt.

Sherlock Holmes heeft daar in zijn verhalen zelf maar weinig last van. Bijna altijd blijken zijn inductieve redeneringen uiteindelijk waar te zijn. Hij redeneert dan ook vaak op een manier waarop volledige zekerheid niet gegarandeerd is, maar de aannames die hij doet wel de meest waarschijnlijke lijken in die situatie. De enkele keer dat hij ernaast zit, vertrouwt hij Dr. Watson toe: ‘Watson, if it should ever strike you that I am getting a little overconfident in my powers, or giving less pains to a case than it deserves, kindly whisper ‘Norbury’ in my ear, and I shall be infinitely obliged to you.’(Sherlock Holmes: The Yellow Face).

Zien én observeren

Echter, voordat er überhaupt conclusies kunnen worden getrokken moet er iets zijn waar je die conclusies uit kan trekken: een waarneming. En laat de kunst van het observeren en het onthouden van deze waarnemingen nou net de specialiteit van Sherlock Holmes zijn. In het verhaal A Scandal in Bohemia legt Sherlock aan dr. Watson uit wat het verschil is tussen iets zien en iets observeren:

Holmes: ’You see, but you do not observe. The distinction is clear. For example, you have frequently seen the steps which lead up from the hall to this room’

Watson: ‘Frequently’

Holmes: ‘How often?’

Watson: ‘Well, some hundreds of times’

Holmes: ‘Then how many are there?’

Watson: ‘How many? I don’t know.’

Holmes: ‘Quite so! You have not observed. And yet you have seen. That is just my point. Now, I know that there are seventeen steps, because I have both seen and observed.’

Dr. Watson wordt er hier door zijn goede vriend fijntjes op gewezen dat de scherpte van zijn observatievermogen nogal wat te wensen overlaat. Sherlock zelf kent echter wel de hoeveelheid trappen tussen de hal en de kamer waar hij en Dr. Watson zich in het verhaal bevinden. Hij kijkt niet alleen, maar observeert ook. Psychologe Konnikova (2013) identificeert in haar boek Mastermind – how to think like Sherlock Holmes de kenmerken van Holmesiaans observeren:

Wees selectief
In feite is dit een paradoxaal kenmerk, want het lijkt juist alsof Sherlock Holmes helemaal niet selectief observeert, maar werkelijk álles om hem heen ziet en onthoudt. Toch selecteert Holmes ook bepaalde informatie: hij definieert zijn doelen en de nodige elementen om ze te bereiken. Bijvoorbeeld in het verhaal Silver Blaze waar hij een stukje bewijs vindt dat de inspecteur van de politie gemist heeft en vervolgens opmerkt ‘I only saw it because I was looking for it’. Dit komt overeen met een strategie die psycholoog Peter Gollwitzer (1999) ontwikkelde om doelgeoriënteerd gedrag effectief in te zetten. Hij merkte op dat vooruitdenken, specifiek zijn in het uitkiezen van doelen, ‘als-dan hypothesen’, het opschrijven van gedachten en consequenties van succes of falen uitdenken cruciaal zijn om focus te houden en het uiteindelijk doel te bereiken.

Wees objectief
Het eerste wat Holmes doet als hij een kamer binnentreedt is erachter komen wat er is gebeurd. Wie heeft wat aangeraakt, wat is er wat er niet zou moeten zijn en vice versa. Allemaal voornamelijk feitelijke observaties. Ook reconstrueert hij eerst wat er precies gebeurd is, aan de hand van de feiten die voorhanden zijn. Oftewel, hij laat eerst de feiten spreken en daarna pas zijn eigen gedachten over de situatie.

Wees inclusief
Wat voor de meeste mensen in de verhalen van Sir Arthur Conan Doyle slechts triviale gebeurtenissen zijn, is voor Holmes een sleutelelement in het oplossen van de zaak. Als hij een brief bekijkt (zoals in The Hound of the Baskervilles) leest hij hem niet alleen, hij ruikt er ook aan. Hij gebruikt al zijn zintuigen, ook de minder voor de hand liggende. Daarnaast besteedt Holmes niet alleen aandacht aan wat er wel is, maar ook aan wat er niet is (bijvoorbeeld in het verhaal Silver Blaze: ‘I’d like to draw your attention to the curious incident of the dog in the night-time.’ ‘The dog did nothing in the night-time.’ ‘That was the curious incident’).

Wees betrokken
In het verhaal Silver Blaze denkt Holmes op een gegeven moment dat hij de zaak heeft opgelost en sluit zo zijn ogen voor andere opties. Deze fout kost hem uiteindelijk bijna het leven van één van zijn hoofdverdachten. Hoe komt het dat Sherlock Holmes, die normaal dit soort beginnersfouten niet maakt, toch zo de mist ingaat? Hij geeft in het verhaal zelf het antwoord: hij was niet meer zo geïnteresseerd in de zaak. In zijn hoofd had hij het al opgelost, tot op het laatste detail. Zijn aandacht verslapte en zo miste hij cruciale informatie. Ook in psychologisch onderzoek blijkt keer op keer dat motivatie een grote factor is in het voorspellen van nauwkeurigheid (Tetlock, 1983; Tetlock 1985; Kunda 1990; Weston, 2006). Oftewel, het gaat erom dat je nauwkeurig wilt zijn en de waarheid boven tafel wilt krijgen, ook als dat betekent dat je eerdere aannamen toch niet blijken te kloppen.

The Brain attic

Het zien én observeren van je omgeving is één ding, maar het ook allemaal onthouden is een tweede. Toch blinkt ook hier Sherlock Holmes in uit. Hoe doet hij dit?

Konnikova (2013) legt dit uit aan de hand van de brain attic-metafoor oftewel ‘de zolder in je hersenen’, afgeleid van een uitspraak van Sherlock Holmes in A study in Scarlet (‘I consider that a man’s brain originally is like a little empty attic, and you have to stock it with such furniture as you choose’). Sherlock Holmes beschrijft hier eigenlijk een bepaalde manier van informatieverwerking waar Konnikova (2013) twee componenten in identificeert: structuur en inhoud. De structuur van de brain attic is hoe onze hersenen werken: hoe informatie wordt opgenomen, wordt verwerkt, wordt onthouden of vergeten en of het geïntegreerd wordt met componenten die al aanwezig zijn in de ‘zolderruimte’. De inhoud draait om de dingen die we in onszelf opnemen vanuit de wereld tijdens ons leven: onze herinneringen, ons verleden en onze kennis. Zowel de structuur als de inhoud staat niet vast en verandert of kan veranderd worden, volgens Konnikova. Kort samengevat staat een brain attic dus vol met spullen (de inhoud) die op een bepaalde manier georganiseerd zijn (de structuur). Zodra ons gedachtenproces begint, wordt de inhoud met de structuur gecombineerd waarbij de externe omstandigheden voor het grootste deel bepalen welke spullen vanuit de zolder worden teruggehaald.

Sherlock Holmes’ brain attic lijkt gebaseerd te zijn op de methode van loci, namelijk het herinneren van zaken door deze te koppelen aan een locatie, bijvoorbeeld in een imaginair huis (Maguire, Valentine, Wilding & Kapur, 2002). Het voordeel van een huis is dat er een groot aantal ‘vaste’ spullen in staan, bijvoorbeeld een tafel, een bed, een stoel of een gasfornuis. Aan al deze voorwerpen kunnen herinneringen worden gekoppeld. Als je bepaalde herinneringen wilt terughalen, hoef je slechts aan het huis te denken en aan de voorwerpen die daarin staan, om de specifieke herinnering terug te halen. Bij de ‘World Memory Championships’ wordt deze methode breed toegepast, al gebruiken de deelnemers vaak een geheugenpaleis in plaats van een huis. Niet verwonderlijk, gezien een van de wedstrijdonderdelen ‘het onthouden van vijfhonderd willekeurige cijfers in vijftien minuten’; die extra kamers komen in dat geval goed van pas! Natuurlijk passen deze geheugenkampioenen ook vaak een slimme structuur in hun brain attic toe, door bijvoorbeeld de vijfhonderd cijfers op te delen in grotere getallen die een bepaalde betekenis kan worden toegedicht in het geheugenpaleis.

Denken als Sherlock Holmes

Zoals je ziet zijn de technieken die Sherlock Holmes toepast echt niet helemaal onbereikbaar in onze non-fictiewereld. Met een beetje oefenen kan je je omgeving zowel zien als observeren en door slim met je brain attic om te gaan onthoud je alles ook nog eens. Is het ook simpel? Volgens een beroemde (en niet helemaal kloppende) uitspraak van de beroemde detective zelf wel: ‘Elementary, my dear Watson’.




Referenties
Gollwitzer, P. M. (1999). Implementation intentions: Strong effects of simple plans. American Psychologist, 54(7), 493-503.
Konnikova, M. (2013). Mastermind. How to think like Sherlock Holmes. New York: Viking.
Kunda, Z. (1990). The Case for motivated reasoning. Psychological Bulletin, 108(3), 480-498.
Maguire, E. A., Valentine, E. R., Wilding, J. M., & Kapur, N. (2002). Routes to remembering: the brains behind superior memory. Nature neuroscience, 6(1), 90-95.
Tetlock, P (1983). "Accountability and the perseverance of first impressions". Social Psychology Quarterly, 46(4), 285–292.
Tetlock, P (1985). "Accountability: A social check on the fundamental attribution error". Social Psychology Quarterly, 48(3), 227–236.
Wagner, E.J. (2006). The Science of Sherlock Holmes – From Baskerville Hall to the Valley of Fear, the real forensics behind the great detective’s greatest cases. New Jersey: John Wiley & Sons, Inc.
Westen, D., Blagov, P. S., Harenski, K., Kilts, C. & Hamann, S. (2006). Neural Bases of Motivated Reasoning: An fMRI Study of Emotional Constraints on Partisan Political Judgment in the 2004 U.S. Presidential Election. Journal of Cognitive Neuroscience, 18 (11), 1947–1958.

donderdag 21 februari 2013

Een diepere betekenis in doodgewone dingen


Een zwarte kat. Een gebroken spiegel. Een klavertje met vier blaadjes. In feite zijn het doodgewone dingen die ieder mens kan tegenkomen. Maar toch wordt er door sommige mensen aan deze zaken een diepere betekenis toegedicht: zij verbinden alledaagse gebeurtenissen of voorwerpen met zware kwesties als geluk, de liefde of de dood. Hoe komt het eigenlijk dat men dit doet en wat levert het op? En kan het ook gevaarlijk zijn overal een betekenis achter te zoeken?

Stel dat het volgende je overkomt: je loopt over straat en struikelt over een losse tegel. Dit zorgt ervoor dat je de koffie die je vasthield deels over jezelf heen gooit. Daarnaast had je trein vanochtend ook al vertraging en verloor je een knoop van je jas. En dat allemaal precies op het moment dat je op weg bent naar een sollicitatiegesprek. Wat een ellende! Hoe kan het nu dat je zoveel pech hebt op precies het verkeerde moment? De meeste mensen zien bij één of twee van dit soort negatieve gebeurtenissen nog geen patroon. Maar als veel van soort voorvallen achter elkaar plaatsvinden beginnen veel mensen toch te vermoeden dat de wereld zich tegen hen gekeerd heeft en onzichtbare krachten hen het leven zuur maken of een richting op proberen te duwen.

Onze hersenen zijn voor een groot deel constant bezig met het proberen te vinden van patronen en verbanden in datgene wat wij waarnemen. Dit hebben we nodig om uit de gigantische hoeveelheid informatie die dagelijks bij ons binnenkomt enigszins wijs te worden (Mather, 2006). Helaas lukt het ons brein niet altijd om de juiste conclusies te trekken uit datgene wat wij zien; iets wat ook niet makkelijk is met de hoeveelheid tegenstrijdige, onbetrouwbare en incomplete informatie die wij binnenkrijgen (Beyerstein, 1996). Als iemand onterecht een betekenis toedicht aan een willekeurige of toevallige gebeurtenis, wordt dat apophenia genoemd (Mishlove & Engen, 2007). Deze definitie werd voor het eerst gebruikt door de Duitse neuroloog en psychiater Klaus Conrad (1905-1961)(Brugger, 2001). Conrad richtte zich vooral op de ervaringen van psychotische patiënten die betekenis zagen in willekeurige gebeurtenissen. Tegenwoordig wordt de term ook buiten de psychiatrie gebruikt als omschrijving voor de neiging van mensen om in willekeurige gebeurtenissen een patroon of informatie van persoonlijke betekenis te zien. Bijvoorbeeld het zien van een plas regenwater in de vorm van een X en daaruit opmaken dat het sollicitatiegesprek dat je later die dag gaat voeren waarschijnlijk geen baan zal opleveren.

Statistiek

In de statistiek wordt apophenia een ‘type I-fout’ genoemd – het vinden van een patroon dat er eigenlijk niet is. In dat geval wordt de nulhypothese (er is geen verband of effect) verworpen, terwijl deze eigenlijk waar was. Gelukkig bestaan er een aantal statistische handelingen waarmee je erachter kan komen of er een grote kans bestaat dat je een type 1-fout aan het maken bent (bijvoorbeeld de Cronbach’s Alpha uitrekenen). Daarnaast volgen, als het goed is, oplettende collega-wetenschappers met argusogen hoe je onderzoek in elkaar zit en of de H0 wel terecht is verworpen. Ook in het ‘gewone leven’ zijn veel mensen zich bewust van het feit dat het verband dat zij waarnemen niet per definitie écht bestaat. Maar in de wereld van de pseudowetenschap en het paranormale lijkt men echter wat minder happig te zijn op een kritische blik (laat staan wetenschappelijk onderzoek); hoe meer men bijvoorbeeld gelooft in het paranormale, hoe lager men over het algemeen scoort op eigenschappen als kritisch denken of cognitieve vaardigheden. (Hergovich & Arendasy, 2005; Musch & Ehrenberg, 2002; Aarnio & Lindeman, 2005). Hier is het verschijnsel apophenia dan ook vaak in ruime mate aanwezig en maakt het mensen kwetsbaar voor misleiding en oplichterij.

Paranormale fenomenen

Een voorbeeld van een gebied waar (al dan niet opzettelijke) oplichters graag gebruik maken van apophenia is astrologie: een pseudo-voorspellende techniek die bijna volledig gebaseerd op het zien van niet-bestaande maar waargenomen patronen. Hoewel vaak wetenschappelijk onderzocht, is er nimmer een solide verband aangetoond tussen de stand van de sterren, iemands karakter en zijn of haar geboortedatum (Shawn, 1985; Culver & Ianna, 1988; Sagan, 1996; Kelly, 1997). In 1974 ondertekenden zelfs 186 wetenschappers, inclusief achttien Nobelprijswinnaars, het manifest Objections to Astrology waarin zij in sterke bewoordingen astrologie veroordeelden als onwetenschappelijke nonsens. Dit manifest werd bovendien naar iedere krant en magazine in de VS en Canada gestuurd die horoscopen in hun bladen afdrukten (Bok, Jerome & Kurtz, 1975). Toch lezen mensen tot op de dag van vandaag horoscopen en vinden zij in een tekst vol algemeenheden waarheden die specifiek op hun leven gericht lijken. Voor sommigen is dat genoeg om daadwerkelijk een verband te zien tussen de stand van de sterren en planeten en datgene wat hen overkomt. Hetzelfde geldt voor mediums die claimen met geesten van overledenen te kunnen spreken; een Derek Ogilvie verzamelt een groep mensen en roept een aantal algemeenheden tegen zijn publiek. Niet Ogilvie, maar zijn ‘slachtoffer’, zoekt naar overeenkomsten tussen datgene wat hij hoort en wat hij weet. Cold-reading technieken, slim knipwerk in de regiekamer achteraf en apophenia zorgen ervoor dat de Ogilvies’ goedgelovige gasten patronen en persoonlijk relevante zaken ontdekken in zijn verhaal. Eveneens treedt de ‘wet van grote getallen’ in werking. Deze wet gaat uit van de gedachte dat hoe meer voorspellingen een waarzegger doet, hoe groter de kans wordt dat hij ‘raak’ schiet, oftewel een juiste bewering maakt. Zodra dit gebeurt, heeft men vaak de neiging alleen het schot in de roos te onthouden en alle gemiste schoten te vergeten (Diaconis & Mosteller, 1989). Hetzelfde effect komt ook voor bij mensen die veel gokken; ook zij hebben de neiging de keren dat ze winnen beter te onthouden dan de keren dat ze verliezen. Zo vormen ze vaak een vertekend beeld van hoeveel ze nu echt gewonnen hebben, wat casino’s dan vaak weer helemaal niet erg vinden (Gilovich, 1983).

Complottheorieën

Bij complottheorieën komt apophenia ook vaak voor; rondom bijna alle heftige gebeurtenissen in de geschiedenis die op zichzelf al betekenisvol genoeg waren, zijn er complottheorieën bedacht. Denk bijvoorbeeld aan de aanslag op 11 september op het World Trade Centre in 2001; volgens enkele complotgelovers was hier geen sprake van een terroristische aanslag, maar zat hier een boosaardig plan achter, bedacht door de gevestigde orde. Er zouden bijvoorbeeld bommen zijn geplaatst in de torens – daardoor kwam het dat de verdiepingen onder de impactzone van het vliegtuig al verwoest waren voordat het gebouw was ingestort. Daarnaast was het bijzonder vreemd dat het hele gevaarte van staal überhaupt instortte, terwijl de smelttemperatuur van staal veel  hoger ligt dan de temperaturen die de ontploffende kerosine van de vliegtuigen kon hebben veroorzaakt. En hoe komt het eigenlijk dat op de plekken waar de vliegtuigen het Pentagon zouden hebben geraakt de gaten in het gebouw zoveel kleiner zijn dan de vliegtuigen die ze zouden hebben gemaakt (zie foto)? Al deze op het eerste gezicht opvallende zaken samen lijken te wijzen op iets dat niet in de haak is. Geen wonder dat apophenia optreedt en veel mensen ervan overtuigd raken dat er meer achter deze gebeurtenis zit dan een aantal godsdienstfanatici in de woestijn. Zouden zij zich echter verdiepen in de constructie van de WTC torens, dan zouden zij erachter komen dat de staalconstructie van de Twin Towers het ook al bij verzwakking zou begeven (wat de kerosinetemperaturen wel konden bereiken). En dat de ontploffingen op de benedenverdiepingen in de torens veroorzaakt werden door de explosie bovenin, die door de liftschachten een weg vond naar beneden en ook daar een ravage aanrichtte. En de foto met het kleine gat in de muur van het Pentagon? Dat blijkt te zijn gemaakt door slechts het landingsgestel van het vliegtuig, niet het volledige vliegtuig op zich[1]. Op deze manier zijn de losse ‘verdachte’ gebeurtenissen helemaal niet meer zo verdacht. Een gebrek aan kennis, kritisch denken en het (willen) zien van een diepere betekenis leidt tot de gedachte dat er patroon bestaat dat in werkelijkheid een illusie is.
Een gat in het Pentagon na de aanslag - gemaakt door een heel vliegtuig? (http://www.popularmechanics.com/technology/military/news/debunking-911-myths-world-trade-center)

Risico’s van apophenia

Het zien van een diepere betekenis of verbanden in toevalligheden is meestal onschuldig. Bijna iedereen heeft soms het gevoel een patroon te herkennen in losse, willekeurige zaken. Bijvoorbeeld als je net denkt aan je moeder en tegelijkertijd de telefoon rinkelt met, jawel, je moeder aan de andere kant van de lijn. Je gevoel zegt dat dat toch geen toeval kan zijn, terwijl je verstand je tot de orde roept en je eraan herinnert dat je regelmatig aan je moeder denkt terwijl ze niet belt en andersom. Maar zodra het gaat om apophenia op gebieden als het paranormale en  complottheorieën begint het al minder onschuldig te worden. De waarzegger die roept dat hij met je overleden tante kan praten, een aantal keer raak schiet in zijn voorspellingen en vervolgens zegt dat ze nog niet helemaal rust heeft kunnen vinden kan met zijn woorden een hoop onzekerheid en ellende aanrichten. Dit geldt ook voor de complotdenkers die behoorlijke angst kunnen zaaien door fanatiek de boodschap te verspreiden dat mensen op plaatsen van macht het slechtste voorhebben met de bevolking. Een tekenend voorbeeld hiervan is de complottheorie die redelijk recent in de VS is ontstaan. Deze complottheorie is voornamelijk gebaseerd op de overtuiging dat vaccinaties autisme bij kinderen kunnen veroorzaken en dat de overheid en de medische wereld dit in de doofpot stoppen. Na uitgebreid onderzoek blijkt deze bewering geen enkele waarheid te bevatten (Hobson, Mateu, Coryn & Graves, 2012). Maar de schade is al aangericht; de vaccinatiecijfers in de VS zijn drastisch gedaald, met het hoogste aantal uitbraken van de ziekte mazelen sinds 1996 als gevolg (Greby, Wooten, Knighton, Avey & Stokle, 2012). Een nare ziekte, die als complicatie hersenvliesontsteking heeft (circa één van de duizend ziektegevallen) en dodelijk kan zijn (circa twee van de duizend ziektegevallen).

Ondanks dat apophenia heel menselijk is en iedereen het verschijnsel wel eens ervaart, is het dus zeker niet zonder risico’s blind de ideeën met betrekking tot betekenis en verbanden te volgen. Blijf daarom altijd kritisch denken en wees je bewust van de feilbaarheid van je eigen waarneming.



Referenties
Aarnio, K. & Lindeman, M. (2005). Paranormal beliefs, education and thinking styles. Personality and Individual Differences, 39, 1227-1236.

Brugger, Peter (2001). From Haunted Brain to Haunted Science: A Cognitive Neuroscience View of Paranormal and Pseudoscientific Thought. North Carolina: McFarland & Company Inc. Publishers.

B. B. Beyerstein (1996). Visions and hallucinations. In G. Stein (Ed.), The Encyclopedia of the Paranormal. Amherst, NY: Prometheus Books. pp. 789-797.

Culver, R.B. & Ianna, P.A. (1988). Astrology: True or False? Buffalo, NY: Prometheus Books.

Diaconis, P. & Mosteller, F. (1989). Methods of Studying Coincidences. Journal of the American Statistical Association, 84(408), 853-861.

Gilovich, T. (1983). Biased Evaluation and Persistence in Gambling. Journal of Personality and Social Science, 44(6), 1110-1126.

Greby, S.M., Wooten, K.G., Knighton, C.L., Avey, B. & Stokle, S. (2012). Vaccination Coverage Among Children in Kindergarten – United States, 2011-12 School year. Center for Disease Control and Prevention: Morbidity and Mortality Weekly Reports, 61(33), 647-652.

Hastie, K.R. & Dawes, R.M. (2001). Rational Choice in an Uncertain World: The Psychology of Judgment and Decision Making.  California: Sage Publishers,

Hergovich, A. & Arendasy, M (2005). Critical thinking ability and belief in the paranormal. Elsevier, 38, 1805-1812.

Hobson, K.A., Mateu, P.F., Coryn, C.L.S. & Graves, C. (2012). Measles, Mumps, and Rubella Vaccines and Diagnoses of Autism Spectrum Disorders among Children: A Meta-Analysis. World Medical and Health Policy, 4(2), 1-14.
Kelly, I.W. (1998). Why Astrology doesn’t work. Psychological Reports, 82(2), 527-546.

Mather, G. (2006). Foundations of Perception. Hove: Psychology Press, Ltd.
Mishlove, J. & Engen, B. (2007). Archetypal Synchronistic Resonance: A New Theory of Paranormal Experience. Journal of Humanistic Psychology, 47(2), 223-242.

Musch, J. & Ehrenberg, K. (2002). Probability misjudgment, cognitive ability and belief in the paranormal. British Journal of Psychology, 93, 169-177.
Sagan, C. (1996). The Demon Haunted World. New York: Random House.
Shawn, C. (1985). A Double-blind test of astrology. Nature, 318(6045), 419-425.





[1] http://www.popularmechanics.com/technology/military/news/debunking-911-myths-world-trade-center

vrijdag 9 november 2012

Adem in, Adem uit


Yoga als sport- of ontspanningsmethode; wat doet het wel en wat doet het niet?

Afgaande op het aantal mensen dat voorbijloopt –of fietst met yogamatjes kreeg ik het idee dat ik zo ongeveer de laatste persoon op aarde was die het eens ging proberen. Terwijl ik mezelf tijdens een Bikram yoga sessie zwetend en puffend in de meest onmogelijke posities probeerde te manoeuvreren, vroeg ik me af wat de wetenschap over deze en andere vormen van yoga zegt.

Veel mensen doen aan yoga om te ontspannen, om leniger te worden of om af te vallen (of alledrie). De meest voorkomende vorm van yoga in Nederland is de hatha yoga (klassieke yoga) die uitgaat van een reeks van ontspanningsoefeningen in de vorm van asana’s (lichaamshoudingen) en pranayama’s (ademhalingsoefeningen). Deze vorm van yoga dateert uit het begin van de zeventiende eeuw, maar is een verzameling van nog oudere ontspanningstechnieken uit India. Met name in het begin van de vorige eeuw is een sterke modernisering in India ontstaan door invloed van Westen. Verschillende hatha yoga leraren zijn naar het Westen gekomen om een gemoderniseerde en toegankelijkere versie van deze yogavorm te introduceren. In Nederland deed yoga pas zijn intrede in de jaren vijftig, waarbij de nadruk steeds lag op ontspanning.

Naarmate yoga steeds populairder werd in Europa en de VS, is er steeds meer onderzoek gedaan naar de effecten. Uit deze studies komt een indrukwekkende lijst met positieve effecten naar voren, zowel op psychologisch als fysiek niveau.

Uit het onderzoek van Javnbakht, Hejazi Kenari en Ghasemi (2009) bleek dat mensen minder angstgevoelens ervaren nadat zij yoga hebben beoefend. In specifiekere zin bleek uit onderzoek van Uebelacker, Epstein-Lubow, Gaudiano, Tremont, Battle & Miller (2010) dat yoga een effectieve manier is om mensen met een depressie minder angstgevoelens te laten ervaren. Daarnaast verbetert het humeur en energieniveau na een yogaklasje te hebben bijgewoond en voelen mensen met gezondheidsproblemen zich meer ontspannen en ervaren zij minder pijn en vermoeidheid (Distasio, 2008). Malathi en Damodaran (1999) vonden zelfs een effect van yoga op examenstress: studenten die aan yoga deden in hun examenperiode ervoeren zowel voor als tijdens de toets minder zenuwen, konden zich beter concentreren en voelden zich zekerder en minder snel geïrriteerd door kleine dingen. Daarnaast werd er door Lavey, Sherman, Mueser, Osborne, Currier, en Wolfe (2005) een effect gevonden op humeur bij psychiatrische patiënten: zij ervoeren minder angst, spanning, negatieve gevoelens, agressie, vermoeidheid en verwarring na een yogasessie.

Met zo’n lijst is het niet verwonderlijk dat veel mensen hun toevlucht zoeken tot het beoefenen van yoga; ontspanning is een kostbare gemoedstoestand in de hectische levens die veel mensen leiden, om nog maar te zwijgen van de andere positieve effecten van yoga.

Is yoga dan dé manier van bewegen die eigenlijk iedereen aan te raden is? Een sport die zoveel positieve effecten heeft dat het bijna onvoorstelbaar is dat niet heel Nederland af en toe in de omlaag kijkende hondhouding op de yogamat ligt? Het antwoord hierop is ‘nee’. Ondanks de vele positieve punten is er ook het een en ander aan te merken op yoga.

Een belangrijk punt is bijvoorbeeld dat yoga eigenlijk niet echt een sport is. Dit hoeft niet iets negatiefs te zijn, ware het niet dat veel yoga-beoefenaars het wel zien als een sport en als (bijvoorbeeld) een goede manier om af te vallen. Hoewel er bij hatha yoga veel oefeningen worden gedaan om de flexibiliteit van het lichaam te verhogen, wordt er weinig gezweten. Er wordt wel ontspannen, maar calorieën worden er nauwelijks verbrand. Een onderzoek van Boehde en Porcari (2005) laat zien dat je tijdens een hatha yoga sessie van vijftig minuten ongeveer net zoveel calorieën verbrandt als een langzame wandeling van vijftig minuten. Bij Poweryoga (een iets actievere vorm van yoga) verbrandt men in deze tijd slechts 237 calorieën, wat vergelijkbaar is met een milde aerobic workout. Dus als je letterlijk wilt yoga’en tot je een ons weegt, is het misschien beter een wat grondigere vorm van lichaamsbeweging op te zoeken.

Maar is er dan geen type yoga die intensiever is en die kan dienen als meer dan slechts een manier om leniger en ontspannen te worden? Sinds kort wel en het heet Bikram yoga. Bikram yoga is een nieuwe, hippe vorm van yoga die steeds meer aan populariteit wint in Nederland. De grondlegger van Bikram yoga, de Indiase yoga goeroe Bikram Choudhury, introduceerde deze vorm van yoga begin jaren tachtig in de VS. Tijdens een sessie Bikram Yoga wordt steeds dezelfde serie van 26 klassieke yogahoudingen en twee ademhalingsoefeningen in een verwarmde ruimte van rond de veertig graden Celcius uitgevoerd. De theorie hierachter is dat de warmte voor extra flexibiliteit van het lichaam zorgt, waardoor de kans op blessures klein is. Uit het bovengenoemde onderzoek van Boehde en Porcari blijkt dan ook dat tijdens een Bikram yogasessie men gemiddeld zevenhonderd calorieën verbrandt, wat zo ongeveer gelijkstaat met een uur lang baantjestrekken in het zwembad. Enkele beroemde beoefenaars zijn Lady Gaga, Madonna, Gwyneth Paltrow en Quincy Jones.

Is Bikram yoga dan de vorm van yoga die iedereen aan te raden valt? Op het eerste gezicht lijkt het een aantrekkelijke combinatie tussen yoga en intensief sporten: je verbrandt niet alleen een behoorlijk aantal calorieën maar je pakt ook nog eens de voordelen van hatha yoga mee. Niet te vroeg gejuicht, want ook aan Bikram yoga kleven problemen.

Ondanks dat door Bikram Choudhury wordt beweerd dat Bikram yoga in principe voor iedereen geschikt is, wordt door de National Center for Complementary and Alternative Medicine (NCCAM) deze vorm van yoga afgeraden voor onder andere mensen met rug- en wervelkolomproblemen, een te hoge- of lage bloeddruk en oorproblemen. Daarnaast blijkt de hitte waarin de oefeningen moeten worden gedaan voor veel mensen problematisch te zijn. Er wordt door beoefenaars regelmatig melding gemaakt van (neigingen tot) flauwvallen, overgeven en soms zelfs een hitteberoerte (Lycholat, 2011).

Daarnaast loopt er al langere tijd een copyrightconflict tussen Bikram Choudhury en een aantal yogastudio’s. Bikram heeft in de VS namelijk het copyright geclaimd over de volgorde van hatha yoga houdingen die tijdens een Bikram yogasessie worden uitgevoerd. Hier bestaat in de yogawereld behoorlijk wat controverse over, aangezien veel beoefenaars en instructeurs van mening zijn dat de eeuwenoude houdingen niet ge-copyright kunnen worden. Bikram Choudhury houdt hier een andere mening op na en heeft dan ook een flink legertje advocaten in de arm genomen om zowel grote als kleine yogascholen aan te klagen als zij Bikram Yoga-sessies aanbieden zonder hem te betalen. Hoewel veel rechtzaken nog lopende zijn, heeft hij toch al flinke bedragen binnengehaald door een financiële regeling te treffen met yogascholen die een rechtzaak niet aandurfden of niet konden betalen.

Het blijkt wel dat er heel wat over de verschillende vormen van yoga te zeggen valt; zowel in positieve als negatieve zin. Maar uiteindelijk draait het er vooral om of en welke vorm van yoga je zelf prettig vindt om te beoefenen; voor de ontspanning, meer flexibiliteit of om af te vallen. Bedenk alleen wel altijd of de reden waarom je aan een bepaalde vorm van yoga doet ook echt wel echt de juiste is; wil je alleen maar ontspannen en leniger worden of wil je ook afvallen? Waar je ook voor kiest, vergeet nooit om even de wetenschap achter de (yoga)praktijk te checken!

Referenties

Uebelacker, L.A., Epstein-Lubow, G., Gaudiano, B.A., Tremont, G., Battle, C.L. & Miller, I.W. (2010). Hatha yoga for depression: critical review of the evidence for efficacy, plausible mechanisms of action, and directions for future research. Journal of Psychiatric Practice, 16(1), 22–33.

Javnbakht, M., Hejazi Kenari, R. & Ghasemi, M. (2009). Effects of yoga on depression and anxiety of women. Complementary Therapies in Clinical Practice, 15(2), 102–104.

Woolery, A., Myers, H., Sternlieb, B. & Zeltzer, L. (2004). A yoga intervention for young adults with elevated symptoms of depression. Alternative Therapies, 10(2), 60–63.

Smith, C., Hancock, H., Blake-Mortimer, J. & Eckert, K. (2007). Randomised comparative trial of yoga and relaxation to reduce stress and anxiety. Complementary Therapies and Medicine, 15(2), 77–83.

Malathi, A. & Damodaran, A. (1999). Stress due to the exams of medical students - Role of yoga. Indian Journal of Physiolpharmicoly, 43(2), 218–224.

DiStasio, S.A. (2008). Integrating yoga into cancer care. Clinical Journal of Oncology Nursing, 12(1), 125-130.

McIver, S., O'Halloran, P. & McGartland, M. (2009). Yoga as a treatment for binge eating disorder: A preliminary study. Complementary Therapies in Medicine, 17(4), 196–202.

Lavey, R., Sherman, T., Mueser, K.T., Osborne, D.D., Currier, M. & Wolfe, R. (2005). The effects of yoga on mood in psychiatric inpatients. Psychiatric Rehabilitation Journal, 28(4), 399-402.

Lycholat, T. (2011). Bikram Yoga: What’s the Science? Fitness, 1, 12-14.

Farrell, Maureen (2009, September 3). Bikram Yoga’s New Twists. Forbes.com.

De Beïnvloedbare Bankier


Hoe omgevingsfactoren van een brave bankier een sluwe profiteur kunnen maken...

Sinds het begin van de financiële crisis buitelen experts over elkaar heen om te verklaren waarom het bij zoveel banken zo catastrofaal mis is gegaan. Sommigen zoeken hun toevlucht bij verklaringen rondom het systeem: Banken werden nauwelijks of slecht gereguleerd. Instellingen functioneerden niet naar behoren Opgestelde regels en richtlijnen waren niet adequaat genoeg of ze werden stomweg genegeerd. Er werd niet gecommuniceerd tussen verschillende betrokken partijen, zodat de immense omvang van de crisis pas echt duidelijk werd op het moment dat hij al gearriveerd was. Andere verklaringen richten zich vooral op de incompetentie of vermeende kwaadwilligheid van de bankiers. Bankbestuurders waren incapabel. Bankiers wisten niet genoeg af van hun eigen financiële producten en namen desondanks extravagante risico’s met diezelfde producten. Er werden gigantische bonussen uitgekeerd, ongeacht of de bestuurder of bankier die wel verdiende (op de lange of korte termijn). En vervolgens negeerden bankiers en hun bestuurders de tekenen aan de wand van de dreigende ineenstorting van het economische kaartenhuis en probeerden tot de laatste minuut zichzelf te verrijken.

Is uit deze verklaringen de conclusie te trekken dat het systeem verrot is? Wellicht. Dat bankiers en bestuurders egocentrisch hebben gehandeld en daarmee miljoenen mensen schade hebben berrokkend? Zeker. Maar betekent dit dan dat bankiers overwegend slechte mensen zijn? Absoluut  niet. En wel om het volgende:

De keuzeprocessen van de mens hangen van complexiteit aan elkaar. Een ingewikkelde mix van factoren binnen de thema’s genen, opvoeding en omgeving, bepaalt hoe een persoon handelt. Hoewel de wetenschappelijke stroming van de psychologie een dappere poging doet deze berg factoren te ontcijferen en te identificeren, blijft het onmogelijk precies te zeggen hoeveel genen, hoeveel opvoeding en hoeveel omgeving bepaalt hoe een persoon handelt. Toch kan er gesteld worden dat de factor omgeving een behoorlijke impact heeft op de beslissingen die mensen maken en handelingen die mensen uitvoeren. Zeker als het gaat om handelingen die men overwegend categoriseert als ‘slecht/boosaardig/misdadig’. Denk bijvoorbeeld aan het beroemde Stanford Prison Experiment van Philip Zimbardo (1973): zet een aantal personen in een gevangenissituatie, deel ze at random in als bewaker of als gevangene en zie hoe de hoofdzakelijk brave burgers die compleet toevallig de rol van bewaker hebben gekregen, binnen een paar dagen de mensen in de rol van gevangene treiteren en mishandelen. Een ander voorbeeld is het experiment van Stanley Milgram (1963): hij keek in hoeverre autoriteit en omgeving een random persoon ertoe konden brengen potentieel dodelijke schokken aan een andere persoon (in het experiment natuurlijk een acteur) toe te dienen. Schokkend genoeg bleek 65 procent van de deelnemers bereid onder druk van een testleider met een witte labjas de dodelijke schokken te geven. Trillend als een eikenblad, dat wel, maar ze deden het toch.

Wat betekenen deze bevindingen nu eigenlijk voor de bankiers in de economische crisis? In ieder geval dat de omgeving waarin zij zich bevonden waarschijnlijk veel prikkels bevatte om zéér risicovol gedrag te blijven vertonen, ondanks dat de risico’s op een gegeven moment onverantwoord werden. Maar waar uitte zich dat dan in?

Ten eerste de exorbitante bonussen die de bankiers en bestuurders ontvingen voor hun werk. De inkomens inclusief bonussen van Citigroup-medewerkers (één van de zeven grootste Wall Street bedrijven in de eerste tien jaar van de 21ste eeuw; de andere zes zijn/waren Bear Stearns, JPMorgan Chase, Goldman Sachs, Morgan Stanley, Merrill Lynch en de Lehman Brothers) kwam volgens de krant The Guardian[1] uit op € 25,9 miljard tijdens de eerste negen maanden van 2008. Hoewel deze bonussen nu, bijna drie jaar later, enigszins bijgesteld zijn, zijn ze nog steeds niet mis. The Washington Post[2] heeft berekend dat de zogeheten ‘Wall Streeters’ per werknemer nog steeds tussen de 100.000 en 1 miljoen dollar mee naar huis nemen. En hoewel dat bijna 30 procent lager is dan in het verleden, krijgen de meeste financiële mannen (en een zeer miniem aantal vrouwen, maar daarover straks meer) toch het grootste gedeelte van hun salaris in de vorm van een bonus. Maar dit jaar is het verschil, volgens The New York Times[3], dat alleen werknemers die zéér excellent presteren een bonus krijgen. Volgens dit concept (dat al jaren in andere bedrijfstakken wordt gehanteerd), zal de rest van Wall Street qua bonussen de broekriem moeten aantrekken. En daar zit nu juist het probleem. De bonus is jaren losgekoppeld geweest van daadwerkelijke prestatie. Ook al draaiden banken verlies of pakte een beslissing verkeerd uit; toch ontving men een bonus. En als een beslissing geweldig uitpakte, werden gouden bergen over de bankiers uitgestort. Oftewel, de bankier had niets te verliezen, alleen maar méér te winnen.
Daarnaast valt er iets te zeggen over de termijn waarop een financiële handeling of beslissing winstgevend bleek te zijn. Veel financiële producten waar gigantisch veel geld mee is verdiend, bleken later onderdeel uit te maken van een kaartenhuis die inmiddels is ingestort. Op korte termijn waren deze producten winstgevend, maar op lange termijn bleken ze rampzalig voor de hele economie te zijn. Maar ondervonden de bestuurders en bankiers de negatieve effecten van de crisis terwijl de banken omvielen? Nauwelijks, aangezien de grootste verliezers de ‘gewone’ belastingbetalers waren: Zij financierden uiteindelijk de kapitaalinjecties en de reddingsfondsen,  zodat de banken zich staande konden houden (en weer bonussen konden uitbetalen).

Kort gezegd konden bankiers en bestuurders enorme risico’s nemen, zonder dat zij zelf risico liepen (of het gevoel hadden risico te lopen). Dit nodigt niet uit tot voorzichtig gedrag. Maar waren er dan geen collega’s, managers of bestuurders die aan de bel trokken? Was er dan intern niemand die aangaf dat de risico onaanvaardbaar werden en hier verandering in moest komen? Hoe kon een gehele kudde bankiers als een stel lemmingen op de afgrond aflopen, zonder te stoppen bij het vooruitzicht geen grond meer onder de voeten te hebben?

Dit kan voor een groot deel te wijden zijn aan het sociaal-psychologische fenomeen ‘groepsdenken’ (groupthink). Bij groepsdenken wordt een groep van in beginsel bekwame personen zodanig beïnvloed door groepsprocessen, dat de kwaliteit van groepsbesluiten vermindert. Bijvoorbeeld door groepsdruk. Dit is goed te zien in een sociaal-psychologisch experiment van Solomon Asch (1956). Hij liet lijnstukken van duidelijk verschillende lengte beoordelen door zeven proefpersonen. Zes hiervan waren handlangers van Asch zelf. Als de zes handlangers voor een duidelijk verkeerd antwoord kozen, conformeerde 75 procent van de proefpersonen zich hier minstens één keer aan. Gemiddeld conformeerde iedere proefpersoon zich op 35 procent van de beoordelingstaken. Dit ondanks dat ze na het experiment aangaven dat ze zeker wisten dat de andere zes proefpersonen het fout hadden. Bij de keren dat ze niet conformeerden gaven ze daarnaast aan dat ze grote groepsdruk voelden dit wel te doen. Wat wil dit zeggen? Dat men over het algemeen niet graag anders handelt of beslist dan de rest van de groep. Zeker als de rest van de groep uniform is in zijn beslissing. De uniformiteit en homogeniteit in de wereld van de bankiers leidt dan ook niet tot een uitnodigende omgeving om eens even flink te klokkenluiden. Maar hoe weten we eigenlijk dat bankiers daadwerkelijk zo’n homogene groep zijn? We kennen in ieder geval één specifieke eigenschap die de overgrote meerderheid van de bankiers delen; een overvloed aan het hormoon testosteron.

Juist, de meeste bankiers (en dan vooral de investment bankers) zijn mannen. Volgens de Washington Post[4] nemen vrouwen slechts 17 procent van de zakelijke bestuursfuncties en 2,5 procent van de CEO functies op Wall Street in. Daarbij is maar 3 procent van de invest bankers vrouw. Er is behoorlijk veel onderzoek gedaan naar risicovol gedrag bij mannen en vrouwen. Barber en Odean (2001) vonden bijvoorbeeld dat mannen substantieel meer zelfvertrouwen hebben (ook als dit niet terecht is) in financiële markten. John Coates, een neuroeconoom, publiceerde in 2008 en 2010 een onderzoek waarin hij keek naar de relatie tussen het nemen van risico’s en het hormoon testosteron. Een aantal bevindingen uit deze twee onderzoeken zijn:
·      Als groepen jonge mannen pornografische plaatjes van vrouwen zien (dit verhoogt het testosteron niveau) en zij vervolgens gevraagd worden te kiezen tussen veilige en risicovolle investeringen, kiezen zij vaker voor risicovolle investeringen dan mannen die geen pornografische plaatjes van vrouwen hebben gezien.
·      De hersenen van mannen hebben de neiging in activiteit te minderen zodra zij een deal hebben voorgesteld en wachten op een antwoord. Scans laten zien dat vrouwelijke hersenen actief blijven om te analyseren of zij de juiste stap hebben gemaakt.   
·     Mensen zijn één van de enige dieren die directe bevrediging van een behoefte kunnen uitstellen om een lange termijn bevrediging na te streven (een functie van de prefrontale cortex). Maar de prefrontale cortex is pas volledig ontwikkeld na het dertigste levensjaar en later bij mannen dan bij vrouwen. Voordat dit gebeurt zijn mensen eerder geneigd directe bevrediging voor hun behoeftes te zoeken.

·    Op dagen dat de traders op de beursvloer meer verdienden dan hun maandelijkse salaris steeg hun testosteronniveau significant.

Wat wil dit zeggen? In principe alleen dat mannen blijkbaar meer geneigd zijn risico’s te nemen en teveel (onterecht) zelfvertrouwen bezitten bij het handelen in financiële producten. En dat het hormoon testosteron hier waarschijnlijk een factor in is. Wil dit dan zeggen dat de dominantie van de mannen binnen de financiële markt dé oorzaak is van de financiële crisis? Zeker niet. Maar wellicht is het oftewel een van de veroorzakers, oftewel een versterker van de andere factoren die ten grondslag aan de crisis liggen geweest.  Zoals eerder gesteld is blijft het voorspellen en verklaren van menselijk gedrag een tricky business.

Maar wat kan uit al het voorgaande nu wel geconcludeerd worden? Voornamelijk dat er een aantal bijzonder sterke omgevingsfactoren zijn geweest die (mede) ervoor hebben gezorgd dat de wereldeconomie er nu op een bijzonder slechte manier voorstaat. Omgevingsfactoren zoals een ongezonde bonuscultuur en daaruit volgend een grote prikkel om enorme risico’s te nemen. Risico’s die zorgden voor een onmiddelijke bevrediging van de bonusprikkel, zonder dat er werd gekeken naar de lange termijn. Risico’s die de overwegend mannelijke populatie van bankiers toch al geneigd waren te nemen dankzij torenhoge testosteronlevels, waarbij de kans op succes ook nog eens structureel werd overschat. En een sterke cultuur van conformisme (mede) veroorzaakt dóór die homogeniteit. Al deze ingrediënten zijn in de bittere soep van de economische crisis beland. Er zwemmen in de pan ongetwijfeld meerdere bestanddelen rond; zowel omgevingsgerelateerd als persoonsgebonden. Maar dat we hem uiteindelijk met z’n allen moeten opeten, is iets wat zeker is.


Referenties

Artikelen
Asch, S. E. (1956). Studies of independence and conformity: A minority of one against a unanimous majority. Psychological Monographs, 70, (whole no. 416).

Barber, B. M. & Odean, T. (2011). Boys will be Boys: Gender, Overconfidence and Common Stock Investment. Quarterly Journal of Economics, 66, 261-292.

Coates, J. M., Gurnell, M. & Sarnyai, Z. (2010). From molecule to market: steroid hormones and financial risk-taking. Philosophical Transactions of the Royal Society B: Biological Science, 365(1538), 331-43.

Coates, J. M. & Herbert, J. (2008). Endogenous steroids and financial risk taking on a London trading floor. Proceedings of the National Academy of Science of the United States of America, 105(16), 6167-72.

Haney, C., Banks, W. C. & Zimbardo, P. G. (1973). Interpersonal dynamics in a simulated prison. International Journal of Criminology and Penology, 1, 69–97.

Milgram, S. (1963). Behavioral Study of Obedience. Journal of Abnormal and Social Psychology, 67(4), 371–8.

Websites
Sullivan, K. & Jordan, M (2009, februari  11). In Banking Crisis, Guys get the Blame: More Women Needed in Top Jobs, Critics Say, Washington Post Foreign Service, opgehaald op 11 december, 2011, van http://www.washingtonpost.com/wp-dyn/content/article/2009/02/10/AR2009021002398.html?sid=ST2009021003385

Bowers, S. (2008, oktober 17). Wall Street in $70bn Staff Payout. The Guardian, opgehaald op 11 december, 2011, van http://www.guardian.co.uk/business/2008/oct/17/executivesalaries-banking

McGregor, J. (2011, november 8). The Backwards Wall Street Bonus. Washington Post, opgehaald op 11 december, 2011, van http://www.washingtonpost.com/blogs/post-leadership/post/the-backwards-wall-street-bonus/2011/04/01/gIQAimIs0M_blog.html

Craig, S. (2011, November 7). Wall Street pay is expected to drop 20 to 30 percent. The New York Times, opgehaald op 11 december, 2011 van http://dealbook.nytimes.com/2011/11/07/wall-st-pay-is-expected-to-drop-20-to-30/?hp

maandag 15 oktober 2012

Seks Misbruik

Het wordt meestal gezien als een plezierige activiteit: seks. Een intieme gebeurtenis tussen twee (of meer) personen die hebben ingestemd met datgene wat er plaatsvindt. Een moment waarbij genot, voortplanting of de ultieme uiting van liefde centraal staat. Maar wat als iemand een ander tot seks dwingt, en een daad van liefde en genot tot een daad van dwang en macht maakt?

Bij een verkrachting wordt een persoon door een ander gedwongen tot seks, vaak onder dreiging van psychisch of fysiek geweld. Dit wordt in Nederland gezien als een misdrijf en in de praktijk krijgen veroordeelde verkrachters, afhangend van de omstandigheden, een taak- of een gevangenisstraf. Onafhankelijk van of men dit over het algemeen een juist vonnis vindt, biedt het een interessant perspectief voor evolutionair psychologen. Onder deze evolutionair psychologen rijst allereerst de vraag in hoeverre verkrachting in Nederland nog evolutionair te verklaren valt: vroeger bestond er nog de ‘beloning’ voor het verspreiden van genetisch materiaal als de vrouw zwanger werd. Nu lijkt die kans steeds kleiner in een wereld waarin abortus en anticonceptiemiddelen steeds toegankelijker worden. Daarnaast kan het de dader tijd in de gevangenis kosten en wordt het daarna met een strafblad moeilijk een baan te vinden.

Over het algemeen overheerst de mening dat verkrachting een bijproduct is van een combinatie van persoonseigenschappen. Evolutionair gezien hoeft het geen voordelen meer op te leveren, zoals dit vroeger wel het geval was. Daarbij lijkt het erop dat het een adaptieve eigenschap is, wat betekent dat het alleen voorkomt bij bepaalde personen of tijdens specifieke omstandigheden. De voornaamste reden voor een verkrachting lijkt dan ook een combinatie van lust, controle en macht te zijn (Archer & Vaughan, 2006).
In de meeste gevallen is de vrouw het slachtoffer en de man de verkrachter.  Dean & Malamuth (1997) onderzochten bij welk type mannen de grootste kans bestond dat ze iemand zouden verkrachten. Zij deden dit door de mannelijke proefpersonen verschillende vragenlijsten te laten invullen, waarin onder andere naar verkrachtingsfantasieën en mate van empathie werd gekeken. Hieruit concludeerden zij dat mannen een grotere kans hebben een verkrachter te worden als zij een lage mate van empathie, een hoge mate van masculine aggressiviteit (bijv. aggressie tegen andere mannen) en een drang naar onpersoonlijke seks hebben.

Als de verkrachting niet plaatsvindt in een rechtstaat zoals Nederland, maar in een oorlogssituatie of in een land waarin er nauwelijks straffen op staan liggen de zaken anders. Tijdens de Vietnamoorlog, de oorlog in Bosnië of de Japanse bezetting van Nanking kwam verkrachting van burgers door soldaten veelvuldig voor. Uit een rapport van Amnesty International uit 2004 blijkt dat het bij deze verkrachtingen nauwelijks ging om seksuele bevrediging. Het wordt ingezet als machtsmiddel en wapen.

Massaverkrachtingen die vanuit een militair oogpunt plaatsvinden zijn vaak ‘gunstig’ in strategisch opzicht. Voor kleine groepen soldaten of gewapende rebellen is het risicovol in grote vuurgevechten verzeild te raken, door grote kans op verliezen en overmacht van de tegenpartij. Het is dan makkelijker burgers te intimideren en aan te vallen. Daarbij zorgt een massaverkrachting, in tegenstelling tot een massaslachting, doorgaans voor minder internationale aandacht, wat gunstig is voor de aggressors. Een stapel lijken spreekt voor zich, maar slachtoffers van verkrachting zijn vaak te beschaamd om zich uit te spreken.

In meer ethnische conflicten worden massaverkrachtingen gebruikt om de grenzen tussen groepen opnieuw te trekken en de aanvallende groep als superieur te bestempelen. Door het verkrachten van de vrouwen wordt daarbij het nageslacht van de ‘inferieure groep’ in gevaar gebracht omdat de kinderen die voortkomen uit de verkrachting een andere etniciteit hebben. In de oorlog in Bosnië werd volgens een rapport van de VN systematische verkrachting als strategisch wapen ingezet bij de ethnische zuiveringen die plaatsvonden. Ook verzwakt het de toekomst van de aangevallen groep, zeker bij de conflicten in bijvoorbeeld Soedan (Afrika), omdat het gevaar van HIV/AIDS besmetting zeer groot is en zowel de vrouwen als de kinderen geinfecteerd kunnen raken.

In landen waar geen oorlog heerst en waarin vrouwen per definitie weinig rechten hebben ( het ‘bezit’ zijn van hun familie of echtgenoot) speelt lust van de man wel weer een rol. Maar ook hier wordt het gebruikt als controle- en pressiemiddel. In landen als Kazachstan of Rwanda bestaat er zelfs een sociale acceptatie van het gebruik dat een man zelf zijn vrouw uitkiest, haar ontvoert en verkracht. Aangezien hierna de maagdelijkheid in het geding is en de vrouw misschien zwanger is, heeft zij  geen andere keuze dan met haar verkrachter te trouwen. Eenmaal binnen het huwelijk wordt het hebben van seks met een vrouw tegen haar wil nauwelijks benoemd als verkrachting. De vrouw wordt gezien als bezit van haar man en haar mening op lichamelijk gebied doet er weinig toe. In een review van Watts & Zimmerman (2002) is gekeken naar longitudinale onderzoeken in vijfitg verschillende landen over seksueel geweld tegen vrouwen door hun echtgenoten. Hieruit bleek dat bijvoorbeeld in landen als Canada en Zwitserland tussen de tien en dertien procent vrouwen slachtoffer zijn (geweest) van seksueel misbruik/geweld door hun partner. In Egypte, Zimbabwe en India varieert dit tussen de twintig en vijfendertig procent.

Het feit dat er elke dag een groot aantal vrouwen slachtoffer wordt van seksueel geweld heeft grote gevolgen op zowel individueel als collectief niveau. Uit een onderzoek van Resick (1993) blijkt dat een verkrachte vrouw een grotere kans heeft op angststoornissen, depressie, seksuele problemen en sociale aanpassingsproblemen. In sommige landen kan ze worden verstoten door haar man of zelfs helemaal worden verdreven uit haar gemeenschap. In oorlogssituaties zijn de slachtoffers van verkrachtingen vaak een vergeten groep. In Japan strijden de zogenaamde ‘troostmeisjes’ (vrouwen die gedwongen als prostituees moesten werken voor Japanse soldaten in de Tweede Wereldoorlog) nog steeds om erkenning. In Bosnië bestaat er nog steeds een taboe op de massaverkrachtingen van moslimvrouwen tijdens de Bosniëoorlog, zodat deze vrouwen twee keer slachtoffer zijn geworden: eerst bij de verkrachtingen zelf en daarna doordat ze vergeten zijn. Psychische en fysieke problemen als gevolg van het seksuele geweld zijn daardoor onbehandeld  gebleven.

Volgens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie is rust en steun van de omgeving als eerste nodig bij de verwerking van een verkrachting. Als het slachtoffer hier behoefte aan heeft kan zij psychotherapie volgen om haar te helpen de traumatische gebeurtenis een plaats te geven. Dit wordt in de meeste gevallen in Nederland volledig vergoed. Als het gaat om de slachtoffers van verkrachting in oorlogssituaties heeft de VN Commissaris voor de Vluchtelingen in 1995 richtlijnen vrijgegeven inzake de preventie en bestrijding van seksueel geweld. Deze richtlijnen bevatten onder andere bepalingen voor de registratie van seksueel geweld, het opleiden en trainen van medewerkers en voor medische zorg en procedures om verder trauma te vermijden bij de slachtoffers.

Het is moeilijk voor slachtoffers van verkrachting seks na verloop van tijd weer te zien als iets fijns. Los van de psychische (en soms ook fysieke) schade na seksueel geweld, is dit een extra last om te dragen. Een eventuele nieuwe relatie begint met een hoop bagage en in sommige culturen is de kans op een echtgenoot of gezin voorgoed verkeken. En al het goede en mooie dat seks kan betekenen - het bedrijven van de liefde, het ervaren van genot, het intieme dat je met iemand deelt - is tot iets lelijks gemaakt. Het is dan ook van groot belang dat er aandacht is en blijft voor slachtoffers van verkrachting. Slachtoffer zijn van verkrachting is verschrikkelijk, maar vergeten worden, beschuldigd worden van uitlokking of verstoting, treft iemand dubbel.
Kirsten

Bronnen

Dean, K. E. & Malamuth, N. M. (1997). Characteristics of men who aggress sexually and of men who imagine aggressing: Risk and moderating variables, Journal of Personality and Social Psychology, 72(2), 449-455.

Archer, J. & Vaughan, A. E. (2001). Evolutionary theories of rape, Sexualities, Evolution & Gender, 3(1), 95-101.

Watts, C. & Zimmerman, C. (2002). Violence against women: global scope and magnitude, The Lancet, 359(9313), 1232-1237.

Resick, P. A. (1993). The Psychological Impact of Rape, Journal of Interpersonal Violence, 8(2), 223-255.

http://www.amnesty.org/en/library/info/AFR54/076/2004 - Amnesty international (2004). Sudan: Darfur: Rape as a weapon of war: sexual violence and its consequences

http://www.reliefweb.int/rw/RWFiles2009.nsf/FilesByRWDocUnidFilename/SNAA-7X94Y8-full_report.pdf/$File/full_report.pdf - UN General Assembly Security Council (2009). Report of the International Tribunal for the Former Yugoslavia)

*Dit artikel is eerder verschenen in het studentenmagazine 'De Spiegeloog'